Als voorbereiding op de Transalp (28 juni t/m 4 juli) reis ik samen met mijn fietsmaat af naar de Vogezen voor een trainingskamp van 4 dagen. Het weer bij aankomst is onheilspellend. Het regent als we aankomen; ’s avonds vallen er enkelen forse hoosbuien en de lucht is asgrauw. De volgende morgen gaan we met een regenjack in de rugzak op weg voor de eerste rit. Op de eerste col van de dag gaat Peter er direct vandoor. De Suunto loopt op naar 180 en ik laat een gaatje vallen. Als we boven staan, vraag ik of het op de volgende cols iets minder mag. “Even uitproberen” grapt Peter terug. Op de grand Ballon doen we het wat rustiger aan. Het is boven op de route du crête erg bewolkt; er hangen dreigende onweerswolken en af en toe fietsen we door flarden mist. We fietsen zonder pauze te houden de route van 94 km uit. Het zal zo wel gaan regenen en we zijn liever nog voor de buien weer terug in het hotel. Onze vrees blijkt echter ongegrond. ’s Middags klaart het op; de zon gaat schijnen en het wordt lekker warm. De komende drie dagen hebben we prachtig weer. Zonnig, warm tot zeer warm, geen spat regen en af en toe een briesje. ’s Middags loop ik even naar het dorp. Er blijkt een suf sculpturen festival aan de gang te zijn en er finisht een kleine profkoers. De renners van Diquigiovanni blijken in ons hotel te zitten. De renners krijgen flink veel pasta met kaas voorgeschoteld en dat terwijl de begeleiders aan de andere tafel aan de wijn en frieten zitten. Verschil moet er zijn.
Rit twee gaat over de ballon de Servance en de ballon d’Alsace. Peter heeft er weer zin in vandaag en ik heb moeite om zijn wiel te houden. Pas op de laatste de col van de dag is hij degene die moet lossen. Het is nu ook als behoorlijk warm en met 120 km op de teller tellen de laatste meters van de col du Bramont zwaar. De volgende twee ritten (nr 3 en vier) gaan over heel veel cols. In dag 3 zitten 8 cols en in dag 4 maar liefst 10! Dat klinkt als veel maar in de Vogezen is het makkelijk colletjes scoren. Sommige collen krijgen je gewoon gratis mee. Vanaf de col de la Vierge is het 2 km afdalen naar de col du Bramont. Maar ja, voordat je op de Vierge staat moet je wel eerst 10 km klimmen. De temperaturen liegen er niet om de laatste 2 dagen. ’s Middags is het boven de dertig graden en dan heeft het lichaam het moeilijk. Ongeveer 80 tot 85 procent van geleverde energie wordt omgezet in warmte; de rest wordt gebruikt om snelheid te maken of te klimmen. Als je met 30+ graden een berg beklimt in de volle zon, moet het lichaam alle zeilen bijzetten om het koel te houden. Ik lijk wat beter tegen de hitte bestendig dan Peter. Vandaag ben ik degene die het tempo bergop bepaalt.
Na 4 dagen fietsen ben ik wel tevreden over de vorm. Het is nog niet goed genoeg voor de Transalp, maar 4 dagen zwaar fietsen hou ik makkelijk vol. Nog een maandje trainen en dan gaar het feest in de Alpen beginnen. Ik verheug me nu al de pijn!
Ik rij vandaag een toertocht vanuit Ede. De tocht luistert naar de naam Zuid Veluwe tour, is 130 km lang en telt niet minder dan 1250 hoogtemeters. Het idee is heel simpel; in het gebied Ede-Renkum-Wageningen-Oosterbeek-Arnhem worden allen wegen geïnventariseerd die omhoog lopen. Zet een tocht uit die al deze wegen aan doet en je hebt een klimtoertocht. 50 procent van alle wegen die bergop lopen in deze omgeving heb ik vandaag beklommen; de andere 50 procent heb ik naar beneden gereden. Ik wilde eigenlijk vandaag rustig klimmen maar dat liep faliekant mis. Er is veel volk op deze toch afgekomen en ik rij de hele dag mee in groepen die het woord HAAST met hoofdletters schrijven. Met een gemiddelde van 29,5 kmh sta ik na 4 uur en 20 minuten weer in Ede. Onderweg gebeurt eigenlijk niets dat de moeite van het vermelden waard is. Door in een groep van 20 wielrenners mee te rijden, krijg je overal voorrang waar je dat vaak niet hebt. Het is bijna op het asociale af. Op een van de vele hellinkjes wordt een renner van achteren aangereden door een Volvo die kennelijk niet zo goed zat op te letten. De renner maakt een buiteling en landt in de berm. De Volvo rijden stopt 100 meter verderop. De renner staat weer op en discussieert even met de Volvo rijder. Het blijkt een oudere man te zijn. Echt typische voorval dit. Vorig jaar werd ik aangereden door een oudere man in een Volvo op een rotonde. Andere oude man; andere Volvo. Maar toch. Wielrenners, weest gewaarschuwd voor oude mannen in Volvo's!
Koningendag valt gunstig dit jaar. 30 april valt om een donderdag; vrijdag erbij vrij pakken en ik heb 4 dagen vrij. Ik besluit om naar de Duitse Eifel te rijden om wat klimtraining te doen. Ik verblijf in hotel zum Goldenen Stern in Prüm. Het hotel ligt midden in het dorp aan het centrale plein. Het weer is prachtig dit weekend en de lokale ijssalon doet goede zaken. Ze maken dan ook lekker ijs. Ik probeer aan mijn conditie te werken maar mijn hartslag heeft kuren. ’s Morgens is deze gewoon veel te hoog, maar overdag voel ik me wel sterk tijdens het fietsen. Ik heb macht in de klimmetjes, maar voel me weer niet fit als ik in D3 probeer te rijden. Na afloop van het weekend staat de ochtendpols weer op 45. Ik snap er langzamerhand niets meer van.
Het is rustig rijden op de Duitse wegen. Ik zie nauwelijks andere fietsers en de wegen zijn vrij goed. De plaatselijke bevolking lijkt nog nooit eerder een wielrenner te hebben gezien. Ik wordt aangegaapt door de plaatselijke bevolking. Alsof ik een grote bloedvlek om mijn trui heb, met een gebroken frame rij of een dood kind aan mijn fiets heb hangen. Ik begrijp er niets van. Ik stap een paar keer af om te kijken of er niets mis. Maar behalve een goed functionerende wielren fiets, een fietshelm en schone kledij valt er toch niets bijzonders te zien. België en Luxemburg liggen vlakbij en een route gaat door beide landen heen. De wegen in België zijn zoals vanouds Belgisch. Er liggen wegen en je kan erover heen rijden, maar veel worden moet je er niet aan vuil maken. Op Duitse grondgebied zie ik een kerstboompje op een 30 meter hoge kale rechte boomstam staan. Waarschijnlijk een plaatselijk gebruik ter ere van 1 mei of zo, maar vreemd ziet het er wel uit. Het lijkt net alsof de lokale boer reclame maakt voor zijn kerstbomen verkoop. Van heinde en verre kan men zien waar ze te koop zijn. Als je zo’n boom koopt, stellen ook nog de vraag: ”met of zonder stam?”
Een van de doelen van het vele sportschool bezoek in de winter is om tijdens de eerste koers van het jaar gewoon in het peloton mee te kunnen rijden. Ik wil er niet afgereden worden na 5 rondjes en ik wil niet constant in de beugels moeten hangen, Ik wil in het peloton mee kunnen rijden zonder overdreven inspanning te hoeven leveren, ook als het tempo tegen de 50 kmh ligt.
Vandaag was de eerste koers van het jaar en kon ik uittesten of het doel gehaald was en zo even bepalen hoe de vorm er voor stond. Op de laatste dag van de meteorologische winter is het zacht weer met 9 graden en een zacht bries uit het noordwesten. Er staan zo'n 50 man aan het vertrek en het parkoers ligt er vies bij. Een paar plassen water van de regenbuien van afgelopen nacht en veel zand maken er een beetje een strontkoers van. Mijn glimmend mooie witte fiets die al weken lang in de woonkamer mooi wit staat te wezen, zag er na afloop goed smerig uit. Dat wordt weer poetsen dus. De koers zelf blijkt een makkie te zijn. Ik rijd constant op de 50*17 en vertik om te schakelen; ik rij wel op souplesse mee. Zelfs met 47 kmh houd ik dit verzet aan wat neerkomt op een cadans van 125 omwentelingen per minuut. Dat spinnen in de sportschool blijkt toch zo weer zijn nut te hebben. Op het eind van de koers ga ik even op kop rijden om het gat met de 4 koplopers verder te dichten. Als we ze bijna hebben gegrepen, hou ik de pedalen stil en bol uit. Ik heb geen zin in het gewring van de spurtende meute en het geloof het verder wel. De missie is geslaagd; koersen gaat me redelijk gemakkelijk af en morgen wil nog een duurtraining van 100 km doen.
Ik fiets nog een rondje uit, lever mijn rugnummer er weer in en ga douchen. Deze blijken koud te zijn. Eigenlijk het enige minpuntje van vandaag. Verder ben ik wel tevreden over de vorm.
Via het FIETS forum werd er een baanclinic georganiseerd op het Velodrome in Sloten. Iedereen op het forum die interesse had, kon zich opgeven. Ik wil alle takken van het wielrennen eens uitproberen en schrijf me in. We krijgen les van Carolien die ons de eerste beginselen bijbrengt. Ik weet nu wat "het beton" is, wat de "cote d'Azur" is en wat het begin de wielerbaan is. Het Beton is beton en ligt helemaal aan de binnenkant van de baan. De cote d'Azur is het begin van de baan. Deze is van hout en is blauw geverfd. Naast de cote d'Azur begint de baan echt. Het eerste gedeelte is ongelakt hout; het hogere gedeelte is gelakt hout. Je hebt het meest grip op het ongelakt lage gedeelte van de baan; daar kan hard worden gereden. De baan is alling steil; da's bijna op het enge af. In de bochten maakt de baan een hoek van 60 graden met de grond. Je kunt ook alleen maar hard rijden in de bochten; als je hier te langzaam rijdt, ga je onderuit.
Baanfietsen zijn ook een beetje apart dingen. Ze kennen slechts een verzet en hebben geen freewheel. Dit betekent dat je nooit je benen kunt stil houden. Als je dat toch probeert, wordt je gelanceerd van je fiets. Daarnaast heeft de fiets ook geen rem. Als je te dicht op je voorligger komt te rijden, kun je alleen ongelukken voorkomen door omhoog te sturen en dan moet daar dus even niemand anders rijden. Baanwielrennen betekent dus heel goed kijken en veel anticiperen.
Na 2 uur in de baan rijden, trek ik de conclusie dat dit niet echts iets voor mij is. Je kunt deze sport alleen maar competitief beoefenen; rijden voor de lol is er niet echt bij. Het woord "vallen" valt te vaak in de uitleg van Carolien. Doe niet dit want dan val je; haal niet links is, want dan we met z'n allen onderuit; rij niet langzaam in de bocht anders ga je onderuit; stuur langzaam het beton op; anders ga je op je plaat,... enzovoort,..., enzovoort,... Ik hou niet zo van vallen.
Tijdens de laatste oefening krijgen we de kans om een rondje volle bak over de piste heen te rijden. Ik leg het rondje van 200 meter af in 14,14 sec. Goed voor 51 kmh gemiddeld. Voor mijn gevoel wordt ik de bocht uit getorpedeerd. Ik heb de grootste moeite op de fiets netjes laag in de baan te houden. Niet echt een lekker veilig gevoel. Aan het baan record van Theo Bos (10,16 sec en dus 70,9) moet ik even niet denken.
woensdag 1 oktober 2008
Verslag van twee weekjes fietsen in de Apenijnen met Cycletours:
Wielrennen:
Italië is het wielerland bij uitstek. Het heeft een zeer rijk wieler verleden en heden ten dage komen de beste renners nog steeds uit Italië. Ook uit ander landen komen goede renners natuurlijk maar geen enkel land heeft zoveel goede renners. Tijdens het laatste WK wielrennen waren alle acht renners uit de Italiaanse ploeg kanshebber voor het goud. Voor elk ander land gold dat slechts een of twee renners als kanshebber golden voor het goud. Italië won het WK met Allesandro Ballan; nummer 2 Damino Cunego reed ook in het azurri blauw van de Italiaanse ploeg. Mij is van te wijsgemaakt door de organisatie van de reis dat deze wieler cultuur goed te merken is in het dagelijkse leven. Dit viel nogal tegen in de praktijk. We zijn een flut amateur koers tegengekomen en ik heb een fietsen winkel van binnen gezien. Nogal magertjes. De reis zelf was geclassificeerd als een 6 sterren reis wat neerkomt op dagafstanden van tussen de 85 en 140 km en hoogte verschillen van zo’n 1500-2500 meter per dag. Met mijn conditie is dit eigenlijk een makkie. Ik ben hier ook niet om iets te winnen of verliezen of in een poging ergens indruk op te maken. Ik ben hier om door een mooi landschap te fietsen. Dat laatste was in voldoende mate aanwezig. Zeker de ruige stukken door de desolate bergen in de Apennijnen zijn zeer mooi. Wat tegenvalt is de staat van de huizen, dorpen en pleinen in het zuiden van Italië. Er lijkt totaal geen geld in deze regio te zitten. Alle huizen, pleinen en gebouwen zijn te typeren als “oude ongeknapte meuk”. In het noorden van Italië zit wat meer geld en daar worden de oude meuk opgeknapt zodat het er weer toonbaar uitziet.
Lunch:
De bagage op de reis wordt vervoerd door reisleider Paul en de grote Mercedes bus. Tevens zorgt de reisleider halverwege de etappe voor een lunch stop. Er is soep, brood, kaas, worst, fruit, koffie, thee, frisdrank, tomaten, gedroogde abrikozen, chips, olijven, yoghurt, etc, etc. Op een dag heeft Paul zelfs pannenkoeken gebakken voor ons. Daar maak je vrienden mee. Helaas is het deze reis ook vaak koud en doet de warme soep ons goed smaken. Bij een lunch stop is het zelfs zo koud we met een deken omgeslagen warme soep naar binnen staan te werken.
Eten en drinken:
Een gemiddelde Italiaans hoofd maaltijd bestaat uit 3 gangen. Eerst is er pasta, dan komt een stuk vlees met wat groente erbij en tot slot een toetje. De pasta kent allerlei vormen en maten en wordt meestal geserveerd met een tomatensaus. Dat is echter niet mijn favoriet. Ik ben meer fan van de pastas met champignons, truffels, spinazie en kaas. De groente die bij hoofdgerecht wordt geserveerd komt vaak in een geringe hoeveelheid. Het toetje is vaak zoet gebak of een grote fruitschaal. Een hotel maakt het enorm bont met het eten. Ze hebben waarschijnlijk van te voren te horen gekregen dat wij fietsers zijn en veel honger hebben. Ze hebben het zekere voor het onzekere genomen en een gigantische maaltijd geserveerd. Het begon met een groot stuk pizza, gevolgd door een groot bord zeer stevige maaltijdsoep. De soep bevatte witte bonen en een soort pasta-achtige meelbollen. Een bord soep was al een volledige maaltijd. Wij dachten dat de soep als vervanger gold voor de pasta, maar dit bleek een vergissing. Na de soep volgde nog een groot bord pasta met kaassaus. Toen kwam eindelijk het hoofdgerecht. Een grote lap vlees met groente. Om het geheel af te maken was er ook nog eens Tiramisu als toetje. Helaas, was een deel van de groep die dag een beetje ziek en verdween een groot gedeelte van het eten onaangeraakt weer de keuken in. Jammer voor de kok; hij had er zo zijn best op gedaan.
Terrasjes:
Voor koffie moet je dus echt in Italië zijn. In Frankrijk is die lekker; in Spanje nog een stukje beter, maar wat ze in Italië uit de koffiezet automaat halen is gewoon perfect. Capucino, espresso, cafe americano; alles is gewoon even lekker. Dit geld ook voor de ijsjes. Italië is bekend om zijn “gelati” en deze reputatie is niet op lucht gebaseerd. Ijs op het terras is spotgoedkoop en heel er lekker!
Hotels:
We slapen in goede hotels deze vakantie. Het zijn bijna allemaal 3 of 4 sterren hotels. Opvallend is dat elke badkamer is uitgerust met een bidet. Het maakt niet uit of er ruimte was of niet, maar er moest een bidet in. In de kleine badkamer in het hotel in Poppi is de WC half onder de douche geplaatst zodat er nog net ruimte was om een bidet te plaatsen tussen de WC en de wasbak. Ik ben niet gewend aan bidets en gebruik ze ook deze vakantie niet. In Perugia slapen we in zeer luxe appartementen. We hebben de beschikking over een luxe badkamer, keukentje, een zithoek, een mooi balkon en een zeer ruime slaapkamer. In Norcia overnachten we in een nonnenklooster die er een hotel erbij runnen om de kosten van het klooster te kunnen betalen. Ik heb een diep gewortelde totaal ongefundeerd hekel aan nonnen en van elk detail waaraan ik me ergerde geef ik alle nonnen de schuld. Het eten was er trouwens erg lekker. Daar viel weer geen kwaad woord over te zeggen. Maar de kamer was klein, ’s nachts heel erg koud en douchen gaf nogal een waterballet door de kapotte douchecabine.
Ziek zwak en misselijk:
Halverwege de reis wordt ik ziek om daarna weer als herboren terug te komen. In de vierde etappe over 140 km beginnen we ’s morgens meteen met een lange klim naar een hoogte van 1500 meter. Het is de eerste echt zonnige dag van de vakantie, maar deze dag begint wel heel erg fris. Op de klim staat constant een straffe gure wind tegen. Ik kom als eerste boven op de top en ik heb nergens last van. Boven blijkt het niet warmer dan 6 graden. Ik trek kniestukken aan en een windjack en begin aan de afdaling. Na ongeveer 40 km draait plots mijn maag zich 4 keer om en alle goede vorm is spoorslags verdwenen. Ik heb pap in de benen, voel me niet lekker, heb last van zadelpijn en mijn pols wil niet omhoog. Het is nu nog 100 km naar het hotel. In busje stappen is geen optie. Ten eerste wil ik dit perse niet en ten tweede zit het busje al vol. Ik doe meer dan 5 uur over de 100 km en ga vreselijk kapot. In een van de laatste klimmen van de dag hang ik 2 km aan een tractortje, maar deze slaat al snel rechtsaf een geitenpad op. De rest van de klimmen moet ik het alleen doen. Het is allemaal niet steil (3 tot 4%) maar harder van 12 kmh rijd ik niet. Ingoede vorm moet ik hier makkelijk 20 kmh kunnen rijden zonder echt te sterven. Het laatste deel van de klim is weer erg koud. We rijden nu op 1000 m hoogte, het is laat geworden en de zon is weg. Om 7 uur ben ik bij het hotel. Ik voel me totaal uitgewoond! Ik ga zonder eten naar bed en slaap van 8 uur ’s avonds tot 10 uur ’s ochtends aan een stuk door. Daarna doe ik even een poging om op deze rustdag naar het dorpje te lopen. Na 100 m keer ik om en loop terug naar het hotel. Ik was al moe van 200 m lopen en duik terug mijn bed in. ’s Middags haal ik centrum van het dorpje wel te voet en haal daar wat te eten bij de lokale supermarkt. ’s Avonds krijg ik nauwelijks eten door mijn mond. De volgende dag breng ik door in het busje. Vandaag passeert de moeder aller regenfronten Italië en de hele groep komt totaal verzopen en verkleumd in het hotel aan.
Uiteindelijk neemt mijn lichaam 5 dagen wraak. De inspanning die ik in de vierde etappe heb geleverd is reden geweest om een in soort “spaarstand”te schieten. Mijn lichaam voorkomt dat het dat nog eens moet meemaken en weigert energie te leveren. Ik spendeer in totaal 2 dagen in het busje en kort een etappe van 100 km in tot 40 km. Na de tweede rustdag is alle ellende even spontaan verdwenen als dat het gekomen is. Tijdens de achtste etappe ben ik weer helemaal de oude. Er zit macht in de benen, ik kan makkelijk op kop rijden, ik rijd alles en iedereen bergop eraf en de onfatsoenlijk grote eetlust is ook weer terug. Ik ben weer in vorm en er niets of niemand die me tegen kan houden. Wondere wereld!
Weer:
Dit was gewoon pech hebben. De wind stond verkeerd en er hingen constant depressies en lage druk gebieden boven ons hoofd. Het was vaak koud boven in de bergen en we hebben de nodige buien onderweg gehad. Ik wat weinig winterkleding meegenomen en dit bleek geen verstandige keuze. Ik had niet gedacht dat ik lange beenstukken, winterhandschoenen, overschoen en een muts nodig zou hebben.
12de Henk Lubberding Classic op zondag 7 september.
Voor de twaalfde maal wordt in de Achterhoek deze cyclosportieve tocht georganiseerd. Het deelnemers veld bestaat uit zo'n 500 man/vrouw; van westrijdrijders tot fanatieke toerders. Het is een ronde van 120 km waarvan de eerste 85 km geneutraliseerd achter een volgwagen wordt verreden. De laatste 35km is het koers. Er moeten dan de Elterberg worden bedwongen, twee maal over 't Peeske worden geknald en een maal wordt de Paasberg in Zeddam beklommen. Ik rijd deze tocht voor de tweede keer en ik kan me van vorig jaar herinneren dat het eerste gedeelte enorm nerveus is. Het grote peloton van 700 man vertoont een harmonica effect waar je vooral achter in de koers het meest last van hebt. Het is daar vaak hollen (40 kmh) en dan weer bijna stil staan. Ik besluit daarom dit jaar om verder vooraan te gaan rijden. Dat is een leuk besluit, maar er zijn tal van renners die op dit idee gekomen. Desalnietemin lukt dit de eerste 40 km redelijk. Daarna moet ik plassen. Een tempo van 28 kmh met een pols van 110 werkt enorm op mijn blaas. Ik probeer weinig te drinken maar ik moet vandaag toch twee keer aan de kant. En dat is verdomde onhandig als je vooraan wil rijden. Na 80 km staat de blaas weer op knappen. Ik moet nu wel stoppen. Over 5 km wordt de koers vrij gegeven en daarna krijg ik nooit meer fatsoenlijk de kans. In kilometer 80-85 probeer ik een peloton van 700 man in te halen. En dat lukt natuurlijk niet. Als de koers wordt vrijgegeven rij ik ergens halverwege. Op de dijk bij Lobith haal ik nog een pak volk in en dan is er een grote valpartij. Er wordt vandaag veel gevallen en sommigen komen lelijk terecht. Het natte weer van vandaag, de mindere stuurmanskunsten van vele renners en het grote peloton doet zijn werk. Ik zie in totaal 4 valpartijen vandaag en rij er elke keer netjes omheen. Achteraf hoor ik dat er een renner is met een gebroken pols en een met een gebroken sleutelbeen. Volgens mij is koersen een gegarandeerde manier om ooit iets gebroken te krijgen. De grote valpartij op de dijk zorgt ervoor dat er een grote groep weg is gereden en ik ben gedwongen om te achtervolgen. In groepen van 10-30 man rij ik de bulten in moordend tempo op en we rapen de hele tijd andere renners op. Mijn Polar staat in de klimmen tussen de 185 en de 190 en ook op de vlakken stukken staat deze op 170. Alsof de bergjes nog niet selectief genoeg zijn is er ook nog een straffe wind die ons teistert. Als de wind van opzij komt, heb ik moeite om de fiets recht te houden. Met nog 5 km te gaan na de tweede beklimming van het 't Peeske zit ik in een groep van 0ngeveer 30 renners. Ik rij attent vooraan zonder op kop te komen. Na de laatste bocht is het nog 500 meter vals plat omhoog beulen. Ik zet aan voor de laatste spint en niemand kan mijn wiel volgen. Ik rij een tiental meters weg en kan blijven door beuken. Ik rij solo over de finish en werp een blik op de Polar. 196!!! Ik heb hem nog nooit zo hoog zien staan. Als ik stop, krijg ik een compliment van een andere renner. Ik ben te apathisch om iets terug te kunnen zeggen.
Daags na de cyclo staat de uitslag pas op de site. Ik blijk P93 te hebben bereikt; dat is zo'n 10 plaatsen lager dan vorig jaar. Voor mijn gevoel valt dit tegen. Ik ben goed moe en had gedacht dat al mijn inspanningen tot een beter resultaat zouden lijden. Ik dacht dat er minder volk vooruit was en dat we meer hadden opgeraapt, maar dat blijkt dus niet zo te zijn. Volgens jaar misschien beter, maar dan moet ik gewoon verder vooraan als we gaan koersen en dat laatste lijkt meer geluk dan kunde te zijn.