woensdag 18 januari 2012

Koukleumen voor gevorderden


Ik heb vandaag een les gedaan in het kader van koukleumen voor gevorderden. De les vond buiten plaats. Ongeveer in het gebied: Almere, Soesterberg, Bilthoven, Breukelen, Nederhorst ten berg. Ofwel een rondje fietsen in het Gooi op een winterse dag in januari. Onze winter stelt tot nu toe nog niets voor. Veel regen in december en begin januari, daarna een paar dagen een koufront met matige vorst ’s nachts maar dat was na 2 dagen al weer voorbij. Vandaag zou er al weer zachter weer aankomen. Weg met de vorst en daar is de Zuidwesten wind weer om zachte oceaan lucht aan te voeren. Tijd voor een rondje fietsen dus. Het is 2 graden boven nul als ik ’s morgens weg rijd. Ik heb voor mijn gevoel voldoende warme kleding aangetrokken maar al snel merk ik dat de harde wind veel kouder is dan ik had gedacht. De temperatuur licht weliswaar al boven de nul, de gevoelstemperatuur ligt daar nog steeds onder.

Dat is trouwens een moeilijk verhaal, de gevoelstemperatuur. Met mijn achtergrond als techneut van de TU Eindhoven kan ik hier wel iets zinnigs over zeggen. De gevoelstemperatuur bestaat niet. De gevoelstemperatuur is een berekende waarde en is niet te meten. Stel dat je met een ontbloot lichaamsdeel buiten staat in lucht van nul graden. Het waait niet en de kou is redelijk te harden. Je lichaam is 37 graden; de luchtlaag net naast je lichaam is iets omgewarmd door je eigen lichaam en is een paar graden boven nul. De overige lucht om je heen is nog steeds nul graden. De warme luchtlaag rondom je lichaam stijgt op en wordt vervangen door nieuwe lucht van nul graden. Dit proces heet vrije convectie. Behalve vrije convectie is er ook nog zoiets als gedwongen convectie en dat heet wind in normale mensen jargon. Met nul graden en wind voelt het veel kouder aan omdat de warme luchtlaag rondom je huid sneller wordt weggeblazen. Om uit te drukken hoe koud het dan aanvoelt is de gevoelstemperatuur bedacht. En dat is de temperatuur zoals je die ervaart als het niet gewaaid zou hebben. Je zou dus kunnen zeggen: Het is 5 graden en het voelt als 5 graden omdat het niet waait; of het is 5 graden maar het voelt als 0 als het niet gewaaid zou hebben. Maar die temperatuur van nul graden is nergens aanwezig. De lucht is 5 graden; de lucht rondom je huid iets warmer dan 5 graden en je lichaam is nog steeds 37 graden. Die nul graden is een fictief getal .Hoe harder het waait het lager het fictieve getal.

Tot zover nog een redelijk te begrijpen theorie maar het kan veel ingewikkelder. Behalve de wind kan de luchtvochtigheid worden meegenomen in de berekening. Plus de hoeveelheid zonkracht (indien aanwezig). Het eenvoudige model wordt dan al snel een complex rekenmodel waar op het einde nog steeds een getal uitkomt. Afhankelijk van welk rekenmodel je kiest, komt er een andere gevoelstemperatuur uit. Als uit een bepaald rekenmodel een gevoelstemperatuur van nul graden komt wat niet strookt met je eigen beleving, dan kies je gewoon een ander rekenmodel. Totdat je er een hebt, die met je eigen gevoel overeenkomt. Gevoelstemperatuur is net statistiek; een wetenschappelijke methode om te kunnen liegen.

Ik mag dan wel de basis principes van de gevoelstemperatuur kennen. Ook ik krijg het er niet warmer van vandaag. Het is kleumen, kleumen en nog eens kleumen. De stukken door het bos met weinig wind zijn wel te harden. De open stukken met veel tegenwind zijn gewoon stervenskoud. Ondanks dat ik genoeg kleren draag, krijg ik koude handen en het gevoel verdwijnt uit mijn voeten. Onderweg stop ik even om een Snelle Jelle open te krijgen. Het lukt niet. Mijn handen zijn te koud om kracht te kunnen zetten. Alleen met mijn tanden krijg ik de verpakking los. De tweede helft van de route begint het ook nog zachtjes te miezeren. Kou, harde wind en miezer. Kan een mens zich meer ellende voorstellen?

Als ik verkleumd thuis kom, blijk ik nog net genoeg kracht in mijn vingers te hebben om de voordeur open te krijgen. Ik heb er wel 2 handen voor nodig. Met een hand had ik niet genoeg kracht meer. En nu mag ik douchen,……… met echt warm water.

de route:

woensdag 11 januari 2012

Een reis naar de Berg

Er is rumoer in ons vlakke kikkerlandje. Niet over de euro en ook niet over Wilders en zijn ultieme strijd om elk hoofddeksel in Nederland te verboden te krijgen. Het gaat over een berg. De Nederlandse berg. Een idee van Thijs Zonneveld en dat een vrije loop begint te krijgen. Ooit begonnen als een column en er wordt nu al door diverse partijen serieus onderzoek naar gedaan.

De mensen die een mening hebben zijn grofweg in 2 kampen te verdelen. Óf je vindt het niets óf je bent een voorstander. Iets anders lijkt er niet te bestaan. Mensen die het wel een goed idee vinden maar nog wat twijfels hebben over de eventuele haalbaarheid lijken niet te bestaan. Laat ik het even heel duidelijk maken. Ik val in het eerste kamp. Ik ben voor de volle 100% tegenstander van de berg. En niet omdat ik tegen bergen ben want ik ben gek op bergen. Ook op nep bergen. Toch ben ik scepticus.

En met mij zijn er veel sceptici. Blijkbaar is er een reden voor. Een berg van 2000 meter hoog in een land dat wereldwijd bekend staat om het feit dat 1 vijfde onder zeeniveau ligt. Dat percentage deugt overigens niet; het is veel minder in de praktijk maar reputaties worden doorgaans niet op feiten gebaseerd. De berg heeft nogal wat tegen zich. De klimatologische aspecten zijn onzeker, de kosten-baten analyse is uiterst onzeker en het bouwen van de berg gaat hoe dan ook een enorme smak geld kosten. Het meest doeltreffende argument vind ik nog steeds dat een klein kind kan uitrekenen dat het gedurende 300 dagen per jaar het ongelofelijk pestweer zal zijn bovenop de hypothetische berg. En we zijn deze zomer al zo gekweld met overvloedige regenval en koude temperaturen. Wat moeten we dan met zo´n hoge berg? Maar de rol van scepticus is niet populair. Ergens tegen zijn is geen manier om vrienden te maken. Voor je het weet., wordt je als azijnpisser weggezet.

Het is natuurlijk veel interessanter en veel leuker om over high-tech oplossingen te filosoferen. Over groene eco stroom uit huisafval opwekken. Groente kweken op een ultramoderne manier met een bodem van steenwol en als lichtbron infra roodlicht opgewekt door vuurvliegjes. Nadenken over vervoersvraagstukken als er een mogelijke tour aankomst op de berg plaats vindt. Hoe gaan we er een wereldkampioenschappen skiën organiseren? Het bouwen van een holle berg is al eex architectonische uitdaging op zich. En wat moet er gedaan worden om een goede fundering voor de berg te maken? Allemaal vraagstukken waarover kan worden nagedacht en waaruit nieuwe ideeën kunnen voortvloeien. Daarover filosoferen, daar maak je vrienden mee. Mensen houden van mooie uitdagingen en inspirerende ideeën. Naar het verhaal van een scepticus luisteren heeft niemand zin. Daar word je hooguit depri van. Of die nou gelijk heeft of niet.

Misschien moet je de berg vergelijken met de race naar de maan. Meer dan 40 jaar geleden waren de Russen in een heftige strijd verwikkeld met de Amerikanen om als eerste een man op de maan te krijgen. De Russen lagen dik op punten voor. Ze hadden de eerste satelliet en de eerste man in een baan om de aarde. Toch sloegen de Amerikanen toe met een K.O. in de laatste ronde. Beide grootmachten hebben destijds klauwen met geld in hun projecten gestoken. Het resultaat was een stukje wereldgeschiedenis. Het neven resultaat was een enorme technologische vooruitgang waarvan we vandaag de dag nog steeds de vruchten plukken. De berg lijkt ook in deze categorie te vallen. Op de maan staan, brengt je als mens weinig bijzonders. De weg er naar toe wel.

Misschien moeten we het laten bij het nadenken over een berg. Wetende dat het ons toch niets concreets oplevert. Maar alleen maar de weg naar boven proberen voor te stellen. Misschien ontdekken we iets moois op de route. Maar laten in vredesnaam toch niet de gehele weg naar boven bewandelen.

zaterdag 7 januari 2012

Langzaam trainen

Alles aan een wielrenfiets is ontworpen op snelheid. Dit zit hem voornamelijk in de stijfheid van onderdelen. Een stijf frame zorgt ervoor dat elke trap op de pedalen raak is. Er gaat geen energie verloren in het laten buigen van een frame, wielen of pedalen. Wielrenschoenen hebben een carbon zool; een wielerzadel is keihard en bevat geen vering; er staat 8 bar atmosfeer in bandjes van 23 mm breed. Comfort op een koersfiets is bijzaak. Een stuurlint en een leren zadel is zo ongeveer het enige dat bijdraagt aan rijcomfort. Voor een doorgewinterde wielrenner maakt dat ook allemaal niet uit. Die voelt geen pijn meer. Na jarenlange marteling is het lichaam gewend geraakt. Een wielrenner heeft nooit zadelpijn of last van zijn onderrug. Alle zenuwen die daar zitten hebben al lang de moed opgegeven om nog signalen naar de hersenen door te sturen. Ze worden toch genegeerd.

En snelheid is nou datgene dat vandaag ontbreekt. Het waait buiten. Het waait hard buiten. Het is nog net geen storm opdat fietsen te gevaarlijk wordt maar onstuimig is het zeker. Ik ga weg voor een rondje van 80 km. De bedoeling is een duurtraining van 3 uur in D1. Gewoon de basisconditie onderhouden. Als ik buiten sta, blijkt het zachtjes te zijn gaan regenen. Dat had de buienradar niet voorspeld. De eerste meters gaan met felle tegenwind. Veel harder dan 22 kmh gaat het niet. Echt leuk is die snelheid ook niet. Wielrennen gaat over snelheid; dat gaat over de stenen uit de straat rijden. Langzaam fietsen is iets voor veldrijders die door dikke lagen blubber zich een weg banen in een zompig weiland. Na 11 km sta ben ik al weer thuis. En niet omdat ik er nu al geen zin meer in heb maar gewoon omdat ik mijn bidons vergeten was.

Als ik eenmaal de polder uit ben en op het stuk tussen Muiderberg en Muiden fiets, krijg ik de wind voluit op mijn snoet. Zat er in Almere tussen de huizen nog een beetje vaart in, die is nu helemaal weg. Op de 39*23 ploeter ik met een snelheid van 17-18 kmh door de wind heen. Het nadeel van een D1 training is dat de hartslag continue laag moet blijven. Deze moet blijven hangen tussen de 65 en 75 procent van de maximale hartslag. Als ik op een normale snelheid zou willen gaan fietsen, dan moet ik mijn hartslag de hoogte in jagen en daar zijn lange duurtrainingen nu net niet voor bedoeld. De 39*23 is trouwens een bergverzet. Bedoeld om makkelijk lopende hellingen van 4-5 % mee omhoog te rijden. Nu blijkt dat ding ook al in Nederland nodig te zijn.

Elk nadeel hep z’n voordeel. Dat is Cruijfiaans voor het feit dat ik op de terug weg wind mee heb. Eindelijk snelheid, denk ik. Ik zit me er al een dikke anderhalf uur op te verheugen. Met 45-50 aan het uur door de polder razen. Lange stukken met het grote mes erop en lekker doorraggen. Dat blijkt in de praktijk vies tegen te vallen. Geen idee waaraan dit precies ligt maar echt duidelijk is het me niet waarom ik blijf steken op 37-40 kmh. Of ik heb gewoon totaal geen vorm maar dat is natuurlijk wel het laatste wat ik als argument wil gebruiken. Of de stukken waarop ik nu rij, liggen wat verscholen tussen het riet. Of zorgt wind voornamelijk voor veel snelheidsverlies en wat minder voor snelheidswinst. Ik gok maar op het laatste. Met een beetje natuurkunde kun je bereken hoe snel je kan fietsen gegeven een bepaald vermogen. Op het vlakke is deze formule redelijk eenvoudig. Om je snelheid te verdubbelen, moet je 8 (2 tot de macht 3) keer zo veel vermogen leveren. Voor hogere snelheden heb je exponentieel steeds meer vermogen nodig. Deze formule geldt trouwens ook voor andere voertuigen. Een auto met een top snelheid van 200 kmh heeft bijvoorbeeld een vermogen van 120 pk. Als deze zelfde auto 100 kmh rijdt, dan gebruikt die slechts 15 pk (120 / 8) van zijn vermogen.

Als ik bijna thuis ben en alleen nog maar wind mee heb, doe ik toch nog even een extra ommetje. 3 uur trainen is namelijk 3 uur trainen. En ik had nog niet genoeg meters gemaakt. Ik fiets via de Markermeer dijk naar huis. En dat betekent nog een keer 6 km vol tegen de wind in harken.

Hoe sterk is de eenzame fietser
die krom gebogen over zijn stuur
tegen de wind
Zichzelf een weg baant?

zondag 1 januari 2012

Gelukkig Nieuwjaar

Aan iedereen die dit blog leest, veel voorspoed geluk en wijsheid gewenst voor het komende jaar en alle jaren die volgen.

Zo, dat was de introductie en nu over tot de orde van de dag en dat is fietsen. Dit is een fiets blog alhoewel er de laatste tijd wel heel veel over wandelen wordt geschreven. Vandaag echter niet. Nieuwjaarsdag was goed voor 80 km fietsplezier. 80 km met veel wind, zeer zachte temperaturen voor het januari en natte glibberige wegen. En ook 80 km om na te denken waarom zelfs op een dag als deze de racer van stal te halen.

Ik ben gisteren tot 12 uur op gebleven om het vuurwerk af te wachten. Twee jaar geleden stond bij mij de straat in lichterlaaie en was het een overdonderd kabaal. Daar ga ik vast nooit doorheen slapen, leek me. Dan maar opblijven en even naar het vuurwerk kijken. Dit jaar valt echter de hoeveelheid vuurwerk mee. Aan de zijkant van de flat is nagenoeg niets te zien. Aan de voorkant van de flat is er een beetje vuurwerk maar durf ik niet te gaan kijken. Ik moet dan namelijk buiten gaan staan en op 7 hoog is dat zeer riskant. Op die hoogte ontploffen de mega vuurpotten. Beneden op straat sta je veiliger. Ik zie vanuit de woonkamer al het vuurwerk in Almere Buiten dat boven huishoogte uitkomt. Achteraf had ik net zo goed een poging kunnen wagen er doorheen te slapen.

Het weer was vandaag niet echt geweldig maar niet te glad of gevaarlijk om niet te kunnen fietsen. Ik heb geen kater; ik ben niet ziek van de oliebollen en ik lag niet idioot laat in mij bed. Dan zit er maar echt een ding om op een zondagmorgen. Rondje fietsen dus. Het rondje gaat via Almere, Eemnes, Hilversum, Loosdrecht, Loenen, langs het Amsterdam Rijn kanaal en via Weesp weer naar huis. Onderweg kom ik 2 wielrenners tegen. Ik ben blijkbaar toch niet de enige die op nieuwjaarsdag gaat wielrennen. Onderweg moet ik aan het liedje van Ramses Shaffy denken dat in de top2000 op de 92ste plaats eindigde. Dat nummer staat daar niet vanwege de zangkwaliteiten van Ramses of vanwege het sterke gitaarwerk of andere muzikale hoogstandjes. Het staat waarschijnlijk zo hoog vanwege nostalgische redenen en de sterke tekst die uit het Frans is vertaald (Ma dernière volonté is het origineel). Het leek me om een of anderen reden wel toepasselijk. Ik vier geen oudjaar, ook geen Nieuwjaar. Ik heb geen oliebollen gegeten en geen vuurpijl afgestoken. Ook de Champagne heb ik gemist. Ik doe zelden dingen om dat anderen dat ook doen. Ik doe alleen maar dingen die ik zelf leuk vind. Wat anderen er van denken, boeit me doorgaans niet zo.

Laat me
Laat me
Laat me m'n eigen gang maar gaan
Laat me
Laat me
Ik heb 't altijd zo gedaan

zondag 11 december 2011

Wandelen in Nepal deel 2

De Gokyo kloof
Tijdens de rustdag in Namche bazaar maken we een wandeling naar het Mount Everest View hotel. Rustdag is tijdens een wandelreis ook maar iets betrekkelijks. De voornaamste reden dat we een dagje in Namche blijven, is een extra acclimatisatie dag. Het wennen aan de hoogte. Te snel stijgen betekent een verhoogde kans op acute hoogteziekte. Als je te snel stijgt, krijg je direct last van de bekende symptomen. Hoofdpijn, slecht slapen, vermoeidheid en verminderde eetlust. Het lichaam heeft het dan te druk met de ijle lucht dat het een aantal functies als minder belangrijk gaat beschouwen. Het maag darm stelsel gaat op slot en daarmee verdwijnt je eetlust en je lichaam vertikt het om energie te leveren en daar is de vermoeidheid mee verklaart. Het Mount Everest View Hotel lijkt voor Japanners gebouwd te zijn. Het is in tegenstelling tot onze lodges gewoon luxe. Gebouwd met echte stenen en een heuse hotel lobby. Het ziet er gewoon uit als een deftig hotel zoals er zoveel zijn op deze wereld. Niets bijzonders eigenlijk maar dit hotel ligt in Nepal en daar is wc-papier al een vorm van luxe. Een echt hotel is dan nogal een vreemde eend in de bijt. We doen even een kopje thee op het terras. Ook daar blijkt de invloed van de Japanners. Er is een kaart in het Japans en de dienstdoende Nepalese ober spreekt ook nog een woordje Japans. Konishiwa. De prijzen van de thee vallen mee, dit in tegenstelling tot een hotel overnachting. Die is goed voor 100 dollar de man. Behalve het terras met een prachtig uitzicht op de Everest schijnt er ook een oxygen bar in het hotel te zitten. Veel Jappen die hier komen zijn te snel naar hoogte gestegen en worden ziek. Vakantiedagen in Japan worden in minuten uitgedrukt en als je niet binnen een week terug op kantoor bent, is je bureau ingepikt. Even naar Nepal vliegen, snel door naar Lukla, wandelen naar Namche, snel door naar het Everest hotel, ziek worden en naar de oxygen bar en dan als de wiedeweerga weer naar huis om maandag op kantoor te zijn. Ook leuk, zo’n speed vakantie.

De Everest is trouwens niet echt mooi. Vanaf dit view point is het niet de hoogste berg. De Nupste die in realiteit lager is zorgt voor wat optisch bedrog door vanaf hier hoger te lijken. Behalve de Everest kunnen we vanaf hier ook de Ama Damblam zien liggen. Een berg die net geen 7000 meter haalt. Eigenlijk een kleine jongen tussen het overig geweld van 8000-ders. Toch is de Ama Damblam met kop en schouders de mooiste berg van alles wat er hier aan witte bergpieken te zien is. Mijn kamergenoot Richard beweert zelfs dat de Ama Damblam de mooiste berg ter wereld is. Kijk, over smaak valt te twisten, over hoogte niet. De Everest is gewoon de hoogste ter wereld. Punt uit. En of de Ama Damblam nu echt de mooiste is, daar valt over te twisten. Onmiskenbaar is hij zeker en hij laat zich ook veel lastiger beklimmen dan de Everest. En mooier dan de Everest is hij ook. Zelfs daar kun je niet over twisten. De Everest ligt geheel in links in het panaroma, de Ama Damblam rechts. In een oogopslag zie ik de hoogste en mooiste berg van de hele wereld. ’s Middags gaan we koffie drinken en brownies eten bij Illy’s coffee; terug naar de Westerse wereld.

Ziek zwak en moe
Vanaf Namche lopen we naar grotere hoogte. Eerst naar Tengboche (3810 m) en later door naar Dole (4100 m). Ik krijg last van een beginnende keel ontsteking en dat soort dingen kan ik hier missen als kiespijn. Lopen op hoogte vergt meer van een lichaam dan je in eerste instantie zou denken. Maar het lichaam moet aan van alles tegelijkertijd wennen. De omgeving is anders, de keuken bevat weinig groente en fruit is al helemaal spaarloos. Daarnaast wandelen we 4 tot 6 uur per dag en tussendoor mag het lichaam nog wennen aan de ijler wordende lucht. Iedereen binnen de groep wordt wel een keer geraakt door een of ander ronddwalend virus. Een keelontsteking, verkoudheidje, vermoeidheidsverschijnsel of een keer aan de racekak. Op de dag van Tengboche gaat het alles behalve goed met mij. De keelontsteking zet gelukkig niet door maar blijft steken bij een onschuldig verkoudheidje. Ik kom wel doodop aan in Dole. Mijn pols maakt overuren. Op de laatste klim naar Dole, zit ik even uit te hijgen en water te drinken. Als Wybe, onze Nederlandse gids langskomt, vertel ik hem dat het maar goed is dat het hier zo mooi is. Hoe zo dat, vraagt hij. Nou, anders was er vandaag echt geen bal aan geweest. Ik hou niet zo van wandelen en vandaag al helemaal niet. Het duurt nog een paar dagen dat ik van dit virusje af ben. ’s Middags probeer ik in de hut te slapen maar mijn pols staat nog steeds boven de 100 en ik kan daarom de slaap niet vatten. De volgende ochtend meet ik een pols van 84 waar 60 meer normaal zou zijn geweest. Pas 3 dagen later staat mijn ochtendpols op een normale waarde.

De route naar Gokyo gaat langzaam. Vanwege de acclimatisatie regels kunnen we maar langzaam stijgen. We mogen maar zo’n 300 tot 400 meter per dag stijgen in slaapplek. We lopen zodoende in een half dagje naar Machermo (4450 m) en in nog een half dagje naar Gokyo (4790 m). Mijn lichaam krijgt in ieder geval de tijd om wat bij te komen en als we de Gokyo Ri (5360 m) oplopen ben ik bijna hersteld.


Gokyo Ri, 5360 m
De Gokyo Ri gaat het hoogtepunt vormen van deze reis. Door het dichtzitten van Lukla en de aanpassing van het programma zullen we niet de Kala Patar opgaan. Deze bergpiek telt 5550 meter hoog en zou als fysiek hoogtepunt gelden van deze reis. Nu moeten we het doen met een iets lagere piek maar nog steeds goed voor 5360 meter hoog. Voor minder dan 5000 had ik het niet gedaan. Het uitzicht vanaf de Gokyo Ri is groots. Er is een perfect uitzicht op de Everest die vanaf dat punt ook echt de hoogste bergpiek is en het uitzicht op de Ngozumba gletsjer is indrukwekkend. Ik hoef hem alleen nog maar even te beklimmen. En dat met een conditie die nog lang niet de oude is. De weg naar de top vanaf het dorpje Gokyo is een kort en vooral absurd steil pad de berg op. Het is een soort trap van 600 meter naar boven toe. Naarmate ik dichter bij de top kom, gaat het steeds moeizamer. De laatste 100 meter stijgen gaat het moeizaamst. Ik loop tergend langzaam en dan nog loop ik te hijgen als een rennend paard. Om de 30 passen moet ik weer even rust nemen om normaal te kunnen gaan ademen. Na 10 seconden is de ademhaling weer normaal en kan ik weer verder. De hoeveelheid zuurstof die we hier tot onze beschikking hebben is de helft van wat we gewend zijn op zeeniveau. Een keer inademen op zeeniveau betekent twee keer inademen op de Gokyo Ri. De druk is gedaald tot onder de 500 mbar terwijl we normaal 1013 gewend zijn. Ik sta te twijfelen of ik de top nog halen. Dat elke volgende stap een nieuw hoogterecord betekent en dat daarmee de weg naar de top een aaneenschakeling is van hoogterecords is, kan me nu even niet inspireren. Domweg het feit dat ik thuis niet hoef te vertellen dat ik afgehaakt ben, is reden om door te lopen. Hijghijghijg, hijghijghijg, hijghijghijg, hijghijghijg, hijghijghijg. En dan ben ik er. Vijfduizend driehonderd en zestig meter boven zeeniveau. Dat is 17 keer de Eiffeltoren en bijna 3 keer de mont Ventoux. Ik heb te voet een berg beklommen van meer dan 5000 meter hoogte; en dat voor een fietser. Boven op de top doe ik de standaard toeristen dingen. Foto’s maken van de bergen om heen en een paar foto’s met mezelf op de voorgrond om aan het nageslacht te bewijzen dat ik er was. Nog wat oh’s en ah’s slaken en dan weer naar beneden klauteren.

De volgend dag lopen we weer terug het dal in. Degene die gisteren middag de Gokyo Ri niet hebben gedaan, doen hem deze ochtend alsnog. De rest van de groep is een beetje wandelen en foto’s maken in de omgeving. Ik blijf op het terras zitten om het fort te bewaken. Ik houd toch niet van wandelen en de accu van mijn camera is leeg, dus foto’s maken zit er ook niet in. Ik ben in het hooggebergte omdat ik hooggebergte nu eenmaal heel erg mooi vind. Niet omdat ik zo gek ben op wandelen. En de bergen kun je ook aanschouwen vanaf het terras. Net zo gemakkelijk. ’s Middags lopen we terug naar Machermo. In de schaduw is het -1 graden. Toch heb ik het niet koud. De nieuwe Sherpa kleding is lekker warm.


Weg met Jappanners
Zo langzaam als we zijn gestegen, zo snel lopen we weer terug het dal in. Het lichaam moet wennen aan grotere hoogte. Maar het hoeft niet te wennen aan het dalen. We lopen vanaf Machermo in een dag naar Namche en vanuit Namche in een dag naar Lukla. Op de heenweg deden we over ditzelfde traject nog 6 dagen. Het stuk tussen Namche en Lukla kenmerkt zich als de Everest highway. Was het heerlijk rustig in de Gokyo kloof, hier zitten we weer in het massatoerisme. En ik stel bij deze voor om alle bejaarde Japanners af te schaffen. Niet de noeste arbeiders die even snel de Everest doen maar de grote club bejaarde treuzelaars die alle tijd in de wereld heeft. Gewoon uit te roeien van deze aardkloot. Ze lopen alleen maar alles en iedereen in de weg. En ze zijn nog spuuglelijk ook. Ze zien eruit alsof E.T. terug op aarde is. Ze trekken zich er ook niets van aan; ze kijken alleen bête en schaapachtig weg. Ze trekken zich sowieso nergens iets van aan. Ze lopen in een tergend traag suf tempo over het pad. Zelfs een kudde ezels is sneller. En ze gaan net als de ezels niet aan de kant. Ik zie in Lukla een lading Jappen worden afgeleverd in een kist van Yeti airlines. Ze stappen uit en gaan foto’s maken. Ze worden dringend en nauwelijks vriendelijk gemaand door een lokale soldaat om door te lopen. Dat doen ze ook maar 2 stappen later zijn ze het alweer vergeten en stoppen opnieuw om een foto te maken.

Eenmaal in Lukla hebben we geluk. We hadden pech met het weer in het eerste deel van de reis maar daarna hebben we alleen maar schitterend weer gehad met heel veel blauwe luchten en de mooiste vergezichten. De laatste 2 dagen is het weer bewolkt en als ik ’s ochtends in Lukla naar buiten kijk, dan vrees ik het ergste. Het ziet er bewolkt uit en het zou mij niet verbazen als ze de luchthaven zouden dichtgooien. Dat gebeurt echter niet en rond de klok van negen vertrekken we in een Twinotter van de korte airstrip in Lukla. Met 15 man proppen we ons op hele kleine stoeltjes met onze tassen op schoot. Er zit zelfs een stewardess aan boord die ons onderweg snoepjes uit deelt. Zij ziet er spik en span uit. Mooi mantelpakje, lang zwart haar, rode lippen en gelakte nagels. Wij zitten allemaal in wandelkleren die een uur stinken in de wind. Niemand heeft nog schone kleren kunnen vinden in zijn tas.


Toch fietsen
De laatste anderhalve dag van de reis is er ruimte om Kathmandu te bekijken. Onze gids heeft een rondrit door de stad georganiseerd langs de toeristische high-lights. Hindoestaanse tempels, boeddhistische tempels, musea en de lijkverbranding. Ik ben een cultuurbarbaar en sla dit tripje wijselijk over. Ik ga tijdens zo’n uitje toch maar zitten mokken en daar wordt verder ook niemand wijzer van. In onze toeristische wijk ga ik eerst maar eens langs de barbier om een baard van 3 weken te laten weg scheren. Ik krijg er een massage bij plus een cursus chiropraxie voor beginners. Van de laatste 2 had de barbier echt geen kaas gegeten. Masseren is echt wat anders dan zomaar lukraak in spieren knijpen en her en der wat botjes laten kraken is eerder gevaarlijk dan nuttig. Hij had misschien gehoopt op een fooi door deze extra inspanning maar van mij had hij het achterwege mogen laten. Na deze lokale marteling ga ik op zoek naar een toko die een mij een fiets wil verhuren. Er zit genoeg zaakjes hier die allerlei outdoor activiteiten aanbieden. Ik huur voor de volgende dag een gids plus een ATB. Met de gids zal ik een dagje ten noorden van Kathmandu een rondje gaan fietsen.

De wegen blijken soms verhard en meestal onverhard. Stel je van het verharde wegdek overigens niet te veel voor. Dat is ooit 20 jaar geleden aangelegd en sindsdien nooit meer onderhouden. Zwaar vracht verkeer, moesson regens grote temperatuursverschillen zorgen ervoor dat de weg vol kuilen en scheuren zit. Ik ontdek wederom dat ik geen held ben op buts buts wegen. Ik zal nooit maar dan ook nooit vrijwillig mee gaan doen aan Parijs-Roubaix. Ik laat de gids lekker voor me uit rijden en kijk een beetje om heen. Ik ben hier nu de enige toerist. Ik kijk naar iedereen en iedereen kijkt naar mij. Ik ben een fietsende attractie. Er is eigenlijk ook niets te zien dat enige culturele waarde heeft. Het zijn de dorpjes buiten Kathmandu waar mensen het gewone Nepalese leven leiden. Zo zie ik Nepal zoals het er in het dagelijkse leven uitziet. Dat laat zich vooral omschrijven door de woorden lelijk, armoedig en vuil. Nagenoeg alles gebeurt hier nog met handwerk; er worden zelden machines gebruikt. Zagen doe je met een handzaag, niet met een decoupeerzaag. Wassen doe je met de hand, niet met een machine. Bij de dorpskraan doe je de was, je wast de vaat en daarna was je jezelf. De elektriciteitskabels lopen allemaal boven de weg. Het is een complete chaos van zwarte draden die zich van huis naar huis slingeren. Dat hier 12 keer per dag de stroom uitvalt, zal niemand verwonderen. De wegen zijn stoffig en het huisraad wat nog in gebruik is, hadden wij al lang naar de sloop gebracht. Ik zie een man op een oranje Specialized fiets die een honderdtal ritsen over zijn stuur heeft hangen. Achterop nog een grote jutezak met inhoud. Wat doet die man hier? De lokale ritsen verkoper? Een vrachtje afleveren bij de kleermaker?

Op een van de steile klimmetjes naar een dorpje toe, probeer ik even de gids uit. Op goed steil verharde wegen ben ik wat meer in mijn element. Ik zet aan en ga harder rijden en haal mijn gids in. Eens kijken of hij kan volgen. Niet dus, hij haakt af. Als hij boven staat, zeg ik nog dat het een best steile klim is. Hij stelt voor om thee te gaan drinken. Op de terugweg heb ik het drukke verkeer van Kathmandu aan den lijve ondervonden. Ze kennen hier een paar verkeersregels. Ze rijden links en aan die regel houdt iedereen zich. Enkele uitzonderingen daargelaten, natuurlijk. Iedereen heeft hier voorrang en ook aan die regel houdt iedereen zich. Geen uitzonderringen deze keer. Ik ben blij dat ik de gids kan bijhouden. Gewoon met doodsverachting jezelf tussen een busje en een brommer in wringen en maar hopen dat alles goed gaat. De meest onmogelijke inhaal actie worden hier ingezet. En ook gewoon doorgezet al kun je al op voorhand zien dat anderen voor je moeten gaan remmen of uitwijken. Na een half uurtje Kathmandu hectiek zijn terug in Thamel. Ik stap af en zeg tegen de gids: “I cycled through Kathmandu and live to tell it”. Hij snapte de grap niet.

donderdag 8 december 2011

Wandelen in Nepal

Eerst maar eens Vliegen
Alles gaat op de automatische piloot; inchecken, paspoort controle, kop koffie drinken, hangen en wachten. Voor alles is een eerste keer; voor vliegen, sex en spreken in het openbaar. De eerste keer is spannend. Later denk je er niet meer over na. De eerste keer dat ik vloog was met mijn ouders naar Kreta. Ik was 17; toen we terugvlogen inmiddels 18. Je moet ergens je 18de verjaardag vieren. De derde vlucht was in Ierland, daarna ben ik ergens de tel kwijt geraakt. Wat me vandaag opviel is dat alle dingen die iemand doet als hij/zij voor de eerste keer vliegt, ik niet meer doe. Ik kijk de veiligheid instructie video niet; ik lees ook de folder niet door. Ik kijk het aanbiedingen krantje niet in en ik controleer niet 7 keer mijn ticket. Ik stap de kist in en ga de krant lezen. Ik geloof het uitzicht op een vleugel inmiddels wel. Niet zo’n spannend nieuws eigenlijk maar wel een mooie gedachten kronkel.

Na hoeveel keer en na hoeveel tijd gaat het spannende van een eerste keer af? Mensen die voor het eerst Ajax in de Arena zien spelen, wijzen de hoekvlag aan. Ze benoemen het feit dat de dug-out laag is en dat de stoeltjes in het stadion allemaal een andere kleur hebben. Dingen die je allemaal al wist maar dan voor het eerst in het echt ziet. De tweede keer doe je dat niet. En zouden er ook dingen zijn die altijd spannend blijven? Een kind baren ook al heb je er al vier? Iemand moeten ontslaan of vertellen dat hij kanker heeft? Ik vind een sollicitatie gesprek nog altijd spannend en ik slaap ook altijd hopeloos slecht voor een cyclo. Zou dat ooit nog eens overgaan?

De reis naar Kathmandu gaat in drie stappen. Eerst naar Frankfurt, dan naar Doha en dan naar Kathmandu. Het eerste stukje met Lufthansa, de rest van de reis met Qatar Airways. Pas rond half twaalf ’s nachts vliegen we weg uit Frankfurt. Na een uur in de lucht te hangen, gaan ze het avondeten uit serveren. Ik pas. Eten om 1 uur ’s nachts vind ik geen optie. Ik doe mijn ogen dicht en probeer de slaap te vatten. 7 uur later en rond half 9 lokale tijd staan we aan de grond in Doha. Voordat we zijn geland, hebben ze ook nog ontbijt geserveerd. Ook dat heb ik laten schieten. Ik heb eigen bammetjes bij me die ik later wel op de luchthaven gaat opeten. Doha international airport ziet er weinig glamorous uit. Ook vanuit de lucht ziet Doha er wat troosteloos uit. Er is veel laagbouw met wit pleisterwerk. Het straalt geen rijkdom uit, ook geen vrolijkheid. Alles heeft een zandkleur, of wit, of smoezelig wit. Het is moeilijk voor te stellen dat in dit woestijn staatje in 2022 de wereldkampioenschappen voetbal zullen gaan plaatsvinden. Van sommige keuzes kun je zeggen dat ze niet louter op argumenten zijn gebaseerd. Maar dat er ook er een partij is geweest die heeft betaald om de keuze zijn kant op te krijgen. Voor de keuze van Qatar als gastheer voor het wereldkampioenschap geldt deze redenatie echter niet. Er was namelijk geen enkel zinnig argument naar voren te brengen waarom Qatar gastheer zou kunnen zijn. Het klimaat is totaal ongeschikt voor voetbal, er zijn geen stadia en er groeit geen gras. Qatar als voetbal land is hetzelfde als Antartica en beach volleyball. Het gastheerschap is gekocht met idioot veel geld. Olie geld want dat hebben ze hier genoeg. Blatter heeft zich laten fêteren en iets gedaan waar hij heel goed in is. Domme besluiten nemen.

Nog even doorvliegen naar Kathmandu. Weer 5 uur in zo’n hobbelkist en dan nog een visum aanvragen. Dat duurt een uur en kost 32 euro. Het zou natuurlijk sneller kunnen maar bureaucratie viert hier hoogtij en minimaal drie mannen moeten zich ermee bemoeien voordat ik een stempel in mijn paspoort heb. Bagage ophalen en de rest van de groep er bij zoeken. Zij hadden allemaal in Nederland een visum aangevraagd en 60 euro betaald. Zij hebben niet in de rij hoeven staan maar wel op mij moeten wachten. TIP: vraag altijd pas in Nepal een visum aan. Het is goedkoper en wachten moet je toch wel. Er is namelijk altijd iemand in de groep die voor de rij gaat en dan mogen alle anderen ook wachten. In het busje naar het hotel krijg ik een bloemen ketting van Afrikaantjes om mijn nek gehangen. Ook lekker handig. Dan zien iedereen direct dat ik een toerist ben die net van de luchthaven afkomt.


De eerste indrukken van Kathmandu.

Er zit een kleine man op zijn hurken op een op grote betonvloer. Hij slaat zonder zichtbaar resultaat met een hamer op de betonvloer. Het geluid galmt tegen de muren. Er recht tegenover zit een koffietent waar ze Europese koffie schenken en waar wifi beschikbaar is. In het verkeer wordt veel en vaak geclaxonneerd. De straten zijn gevuld met auto’s, motoren en voetgangers. De straat is verhard maar zit vol gaten en kuilen. Motorrijders rijden allemaal met helm, meestal ook met de kinband vast. De bijrijders dragen steevast geen helm. Iemand vervoert een rol tapijt van 2 meter breed dwars op zijn scooter. Oversteken als voetganger op een drukke weg is moeilijk. Wachten op een gaatje heeft geen nut; het is te druk. Gewoon oversteken dus en proberen overig verkeer te ontwijken. Er zit maar een veiligheidskenmerk in het verkeersbeeld. Het is zo druk dat hardrijden onmogelijk is. Er lopen 2 koeien op straat. De voorste magere koe loopt harder dan de tweede dikke koe waarvan een voorhoef beschadigd is. De magere koe wacht op zijn dikke maatje; ze horen bij elkaar. Ik zie geen begeleider maar je kan zien dat ze ergens naar op weg zijn.

Alles, nou ja, bijna alles is hier oud en vuil. Spullen die zo oud en versleten zijn dat ze bij ons nog niet in de kringloopwinkel te zien zijn, worden hier nog gebruikt. Afval licht op straat; de vuilnisbelt is de kant van de weg. Ook de vuilverbranding gebeurt aan de wegkant. Er ligt een dooie kat op straat. Zijn aangezicht is weg en een deel van zijn hersenpan ligt ernaast. Bij de tempels zijn veel bedelaars. Slechts weinige Nepalezen zijn netjes gekleed maar het kan wel. Ik zie ook enkele Nepali met schone kleren, gewassen haren en nette schoenen. De meesten hebben vieze kleren, stoffige schoenen en een ongewassen kop.

Kathmandu is vies. Er zijn open riolen en het stinkt

De reis
Wat de bedoeling ooit was van deze reis wordt al op dag 1 door de war gegooid. De geplande reis was een vlucht vanaf Kathmandu naar Lukla en dan een tocht door de Gokyo kloof, vervolgens de Cho La pas over en via de Everest kloof terug naar Lukla. Dit jaar zit het vliegverkeer op Lukla echter tegen. Al eerder dit jaar is Lukla 7 dagen dicht geweest vanwege hardnekkige mist. Er is geen weg naar Lukla toe; er is slechts een luchtbrug en de airstrip in Lukla geldt als een van de gevaarlijkste in de wereld. De strip is extreem kort en loopt licht bergop. Die helling is nodig om een kist genoeg af te remmen bij landen en vaart mee te geven bij een start. Er kan maar een landingspoging worden gedaan door een piloot. Een doorstart maken is onmogelijk. Er kan niet genoeg vaart worden gemaakt om de berg achter de strip te ontwijken. Als het ook maar een beetje slecht weer is, gooien ze baan dicht. Die pech trof ons dus ook. We zouden zondag vliegen maar we zijn niet eens naar Kathmandu airport gereden. Een beetje hangen en wachten rondom het hotel was ons deel. Maandag zou misschien beter zijn maar ook die dag was het mistig. De vooruitzichten voor dinsdag, woensdag en donderdag waren nog hopelozer. Heel misschien zou er vrijdag een weersverbetering doorzetten. Dit zou betekenen dat we pas zaterdag of zondag weg zouden kunnen. En dan moesten we nog een kist zien te regelen. Want ook voor die dagen waren er natuurlijk al vluchten gepland.

Tijd voor een change of plans dus. Dit is een wandelreis, dan maar wandelen naar Lukla. Dinsdag middag hebben een bus geregeld en een 8-tal dragers geregeld. De dragers die voor ons klaar stonden in Lukla gaan maar even de deeltijd WW in. De 3 gidsen die in Luka klaar stonden, komen ons tegemoet lopen en de eerste dagen moeten we het doen met een tijdelijk gids. Op een grote aftands oranje bus worden om half drie lokale tijd 15 tassen op het dak vastgebonden. Halverwege de chaotische rit in Kathmandu stappen onze dragers de bus in. Er volgt nu een dodemansrit met een chauffeur die denkt dat hij Michael Schumacher is over een krakkemikkige hobbelige asfalt weg. Acht uur later staan we in Jiri. Om 11 uur worden 14 tassen van het dak gehaald. Een tas ontbreekt en laat dat nu net de mijne zijn.

###!!!!$$%!@#!!!!@!!!######^^*****!!! GRRRRRRRRRRRRRRR!!!!!!!

Ergens tijdens de reis waar we 3 erg trage vrachtwagens via de berm hebben ingehaald is waarschijnlijk een stuk Nepalees tuig uit de boom komen vallen en heeft een tas weten te ontfutselen. Ik wens hem veel ongemak toe in mijn maat kleren. Zie je het al voor je? Een Nepalees opdondertje gekleed in een veel te lange broek en een donsjack in maat XL.

De hoeveelheid pech manifesteert zich overduidelijk in het begin van de reis. Op stom wonderbaarlijke wijze heb ik wel de beschikking over mijn eigen slaapzak ik bij een andere deelnemers in de tas had gedaan. Eerst maar even iets eten en daarna gaan slapen. Tijdens de noodle soep zit ik te bedenken wat ik allemaal kwijt ben. Warme kleren, thermisch ondergoed, laptap, hoogtemeter, Nepalees geld, ….. scheerapparaat, …. 12 keer ondergoed, … accu oplader. Ik moet stoppen met denken en gewoon gaan slapen. Morgen maar eens gaan shoppen in Jiri.


Jiri
Jiri blijkt een gehucht van drie keer niets. In Thamel, de toeristische wijk in Kathmandu, wemelde het van de outdoor boetiekjes. Allemaal stop goedkoop en allemaal nep. Alles is voorzien van een merkje van the North Face, Mammut of een ander bekend Westers merk. Een donsjack kost hier 45 euro terwijl je daar in Nederland makkelijk 250 euro voor moet neertellen. De kleding is niet te vergelijken natuurlijk met het echte spul qua kwaliteit maar ik zou er een moord voor hebben gedaan als er toch minimaal een van dit soort winkels in Jiri had gezeten. In Jiri zitten paar winkels maar veel wijzer word je daar niet van. Ik heb onder andere nieuw ondergoed nodig. Vorig stond ik in Venezuela nieuw ondergoed te kopen omdat mijn tas met de verkeerde vlucht was meegegaan. Toen had ik lachende niet-helpende Venezolaanse schones als hulp. Nu sta ik een volgestouwd magazijn ondergoed te passen. Ik heb een hekel aan te wijd zittend ondergoed. Dan mezelf maar even te kijk zetten. Ik koop nog wat T-shirts, sokken, shampoo en een handdoek. De overige zaken kan ik lenen bij de rest van de groep.

En nu gaan we wandelen. Ik heb nu wel genoeg pech gehad.


Jiri – Namche in 8 dagen:
Er loopt een ambulande voor me. Er ligt een vrouw op een provisorisch brancard dat wordt gedragen door jonge mannen. Ze dragen goedkope gympen; ik loop op goede bergschoenen en draag slechts een lichtgewicht rugzak. Wat ik nog aan schamele bagage over heb, heb ik afgegeven aan de dragers. De ambulance loopt harder dan ik over een rotsig bergpad naar beneden. Dit is niet te begrijpen. Ik denk dat ik eerder de relativiteitswetten van Einstein ga inzien dan dat ik ga begrijpen waarom een Nepalese menselijk ambulance sneller kan bergwandelen dan ik.

Halverwege de route zit een pas van 3600 meter hoog. De klim naar de pas gaat langzaam. De voorste gids loopt niet rap door en ik blijf netjes achter hem. Dat blijkt niet slim. Ik krijg het zo niet warm en de zon schijnt vandaag niet. Boven op de pas vriest het. En mijn warme kleren ben ik kwijt. De lunch is vlak voor de top en de lodge is slecht verwarmd. Ik zit te kleumen en een beetje te mopperen op het suffe tempo van de gids. Dan blijken er ineens nog 3 ongebruikte fleece truien te zijn. Daar had ik beter eerder naar kunnen vragen. Ik trek een extra fleece aan en ik ben nu als een mummy gekleed. Een t-shirt, 1 blouse, 1 dunne trui en 2 dikke fleece truien. Plus een muts en handschoenen. Pas 3 uur later begin ik het weer een beetje warm te krijgen. Halverwege de klim naar de pas verbeter ik mijn hoogterecord. Dat stond op 3208 meter hoog, gelijk aan de pain du sucre in de Franse Queyras. Ergens halverwege de klim overstijg ik deze hoogte. En de stap daarna weer. En de stap daarna is weer hoger. De weg naar de top is een lange aaneenschakeling van hoogterecords.

De hutten op dit traject zijn primitief. Sommige zeggen dat ze charme hebben. De charme van authenticiteit en dat ze dicht bij de bevolking zitten. Aan primitieve omstandigheden wordt wel vaker het woord charme gekoppeld. Maar primitief is ook gewoon primitief en vooral armoedig. Alle deurposten zijn zo laag dat ik altijd moet bukken. De elektriciteit valt regelmatig en soms ook langdurig uit. Er is geen warme douce, geen warm water en soms zelfs helemaal geen water. De verwarming ontbreekt en buiten is het nul graden. De bedden zijn lomphard en de matrassen zijn flinterdun. De muren zijn van hout. Accu’s van camera’s en telefoons kunnen niet worden opgeladen. Het water is niet drinkbaar en zelfs voor tanden poetsen heb je mineraal water nodig. Dekens ontbreken in een lodge en een warme slaapzak is een must. Op de wc is geen wc-papier en doorspoelen moet met een emmer. Nepalezen zelf gebruiken geen wc-papier; de toerist zoekt het maar uit hoe die zijn achterste hygiënisch schoon krijgt. Kranen zitten los en alle deuren klemmen. Wat nou charme? Gewoon armoedig.

Daarentegen is wel gezellig in een hut. We maken overal grappen over en doen een muziek quiz op de reserve accu van een i-pod. Ik leer andere mensen toepen en hoe je moet bluffen. We eten de lokale appeltaart. Dat is geen culinair hoogstandje maar het vult onze magen wel.

Er zijn grofweg 3 manieren bagage naar boven te dragen. Ezels, yaks en menselijke dragers. Elke 3 groepen hebben zo hun voor- en nadelen. Ezels zijn moeilijk vooruit te porren en kunnen niet in het hogere gedeelte wandelen. Yaks kunnen meer bagage dragen dan een ezel. Ze lopen alleen in de hogere valleien. Tegen laagland kunnen ze niet goed. Zowel ezels als yaks hebben geen besef van het extra volume op hun rug en ze schuren vaak hun bagage kapot aan de bergwand. Ik zie een ezelkaravaan jerrycans kerosine de berg op zeulen. Dat is tegen de ontbossing. Om de ezels lopend te houden gooit de karavaan drijver soms een steen naar de voorste ezel. Met een steen zie ik hem een keer een jerrycan kerosine lek gooien. Hij ondernam geen actie om zijn fout te herstellen. Dan maar een blik minder. De derde veel gezien vorm van drager is de mens. Deze heeft eigenlijk alleen maar voordelen. Ze kunnen grote en zware ladingen aan. Tot 100 kg is geen probleem voor de sherpa’s. De kleine mannetjes lopen met speels gemak omhoog. Ze hebben er zelfs lol in. Ze beschadigen de lading ook niet. Uiteraard is deze vorm van dragen duurder van yaks inzetten en echt oud worden mesnelijke dragers ook niet. Het hele gebied hier is niet bereikbaar per auto of vrachtwagen. Alles wat we hier zien is ooit omhoog gedragen. Alle huizen die hier staan zijn ooit in onderdelen de berg op gezeuld. En het gebied is echt gewoon bewoond. Elk half uur kom ik wel weer een paar huizen tegen.

Na Lukla verandert het pad drastisch. Alles lijkt ineens totaal anders. Het pad is veel drukker en meer toeristisch. Het pad van Lukla kenmerkt zich door een lokale bevolking die toerisme zag als een bijverdienste. Ze kwamen rond van de landbouw en verdienden soms iets bij aan een passerende toerist. Op het pad van Lukla naar Namche is toerisme inkomstenbron nummer een. Er zijn veel lodges, restaurants en winkeltjes. Ik zie een poolcafe met een heuse pool tafel. Daarnaast zit de reggae bar met een happy hour tussen 6 en 8. Het pad is ook bredere en schoner. Er ligt minder zwerfvuil op het pad dat bevolkt wordt door Jappaners en Amerikanen. Alles lodges zijn ook groter en luxer dan de lodges die ik tot nog toe heb gezien.

Vlak na Lukla zit een controlepost. We passeren aan een agent die onze trekkingspermits wil zien. De nummer van de permits worden overgeschreven in een groot schrift. Wat zou die man toch al kind verkeerd hebben gedaan omdat hij nu als strafwerk de hele dag permits van verveelde toeristen moet overschrijven? Wat gaat die man zeggen als hij ’s avonds bij zijn vrouw aanschuift voor een bord dahl baat? Ik heb vandaan 327 nummer overschreven; dat zijn er 17 meer dan gisteren. Leuk leventje, hoor.

Na 8 dagen wandelen, komen dan eindelijk aan in Namce bazaar, de shopping city in de Khumbu vallei. Eindelijk kan ik fatsoenlijke kleren gaan kopen. Geen katoenen T-shirts meer, geen Dockers broek meer en eindelijk een warm jack scoren. Er zitten weer veel outdoor winkeltjes met nep North Face kleren maar die laat ik links liggen. Ik ga winkelen bij de Sherpa shop. Dat is een winkel van het Nepalese outdour merk Sherpa. Ze hanteren daar Europese prijzen en ook Europese kwaliteit. Ik koop een therm onderbroek, een fleece broek, een wandelbroek, een cool-max shirt, een fleece trui, een warm jack en een paar handschoenen. Ik mag voor bijna 400 euro betalen. Met PIN. Giraal betalen op 3400 meter hoogte in Nepal; lange leve de techniek. En ook lang leve de nieuwe warme kleren. Ik voel me weer een beetje meer mens.

donderdag 10 november 2011

Vakantie

Ik heb vandaag vrij en morgen ook. De week daarna ook al en de week daarna nog een week. En dan is het nog niet afgelopen. Daarna heb ik nog een week vrij en daarna nog 2 dagen. ZEVENENTWINTIG dagen in totaal. Dat getal ga ik vandaag nog een paar keer hardop uitspreken. Gewoon voor de lol.

Ik heb zomervakantie. Nou ja, zomervakantie gewoon lang vakantie. Doorgaans nemen mensen ’s zomers een paar weken vrij en dat heet dan zomervakantie. Het woord zomervakantie heeft als bijklank een lange vakantie. Een lange vakantie is een zomervakantie. Zoiets. Ik heb gewoon lang vakantie maar dan in november plus een beetje december. Die zomer stelde in Nederland trouwens ook niet zoveel voor. Die gaan we niet herinneren als lang zonnig en warm. Eerder als nat, koud en regenachtig. En ook lang. In het voorjaar was wel heerlijk weer maar dat soort dingen vergeten we snel. En de herfst tot nu toe is het ook heerlijk weer. Zoveel hebben we eigenlijk niet te klagen gehad. Oktober was zelfs zo mooi weer dat ik nog meer dan 1000 km heb gefietst. En dat is erg veel in een herfst maand. Normaal gesproken heb ik niet zo’n zin om de fiets te pakken als het hard waait en veel regent. Oktober is meestal maar goed voor een paar honderd km.

En morgen ga ik echt op vakantie. Een lange vliegreis via Frankfurt en Doha naar Kathmandu. En dan meteen door naar de hoogste bergen van de wereld. Niet zomaar bergen maar de hoogste bergen van de wereld. De HOOGSTE!! Geen gezeik deze keer met lullige Alpen topjes van 4000 meter hoog. Ik ga de Mount Everest in het echt zien. Ook die zin ga ik vandaag nog een paar keer hardop uitspreken. Ook gewoon voor de lol. In de de tussentijd ben ik bezig met het huis opruimen en een tas vol pakken met warme kleren, een mummy slaapzak, een foto camera en nog meer handige zooi.

ZEVENENTWINTIG!!!!!
Hahahahahaha, ik heb goede zin en iedereen mag het weten.